Geen nieuw statuut, maar echte transitie

De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd is een feit. Een historische beslissing waarmee België zich eindelijk aansluit bij de rest van Europa. Rimpelloos zal die transitie niet verlopen, maar de N-VA past voor een zoveelste vergeetputstatuut.

Verschillende getuigenissen verschenen de afgelopen weken in verschillende kranten en andere media. Vaak zijn er onderliggende medische, psychische of andere problemen die eerst moeten aangepakt worden. Dat vraagt maatwerk en begeleiding. Het gaat over mensen die willen bijleren maar geen opleiding mogen volgen. Mensen die zich nuttig willen maken via vrijwilligerswerk, maar botsen op beperkingen van het statuut. Mensen die niet thuishoren in de werkloosheid, maar daar wel jarenlang in zijn blijven hangen, vaak zonder perspectief, gepaste begeleiding of opbouw van sociale rechten.

Een werkloosheidsuitkering is een tijdelijke bescherming voor wie tussen twee jobs zit, geen eindstation voor wie zorg of welzijn nodig heeft.

Maatwerk in plaats van een vergeetput

Eén ding staat vast: de niet-toeleidbare werkzoekenden zijn geen homogene groep. Hen parkeren in een nieuw statuut dat een vergeetput dreigt te worden is een fausse bonne idée. Een werkloosheidsuitkering is bedoeld als een tijdelijke bescherming voor wie tussen twee jobs zit. Niet als een eindstation voor mensen met onderliggende medische, psychische of sociale problemen.

Daarom is het cruciaal dat mensen naar het juiste statuut worden begeleid. Wie ziek is, hoort in de ziekteverzekering thuis. Wie geen inkomen heeft, moet terechtkunnen bij het leefloon. Voor wie wél nog mogelijkheden heeft, kan de sociale economie een brug vormen. Dat zijn de plekken waar de juiste expertise zit, waar begeleiding op maat wèl mogelijk is en waar perspectief wordt opgebouwd.

De rol van VDAB en welzijnsexpertise

De VDAB heeft zijn verantwoordelijkheid genomen: niet-toeleidbaren werden gecontacteerd, geïnformeerd en correct doorverwezen naar OCMW, ziekteverzekering of het geïntegreerd breed onthaal. Dat is logisch: welzijnsproblematieken vragen welzijnsexpertise. Wie beweert dat de VDAB deze mensen “in de steek laat”, heeft het mis. Ook de kritiek dat kansen worden gemist om mensen aan het werk te helpen, houdt geen steek: wie kon worden geactiveerd, was dat al. Deze groep werd jarenlang gescreend en waar mogelijk doorverwezen naar sociale economie of activeringstrajecten.

Dat Vlaanderen meer niet-toeleidbaren telt dan Wallonië of Brussel is geen falen, maar het resultaat van een aanklampender opvolging en een eerlijkere inschatting van de afstand tot de arbeidsmarkt. Die kennis moeten we nu benutten om het activeringsbeleid menselijker én effectiever te maken, met een duidelijke rolverdeling: wie welzijn nodig heeft, moet door welzijn worden begeleid; wie kan werken, moet perspectief krijgen op activering.

Vrijwilligerswerk als opstap naar eigenwaarde

Activering blijft het doel, ook voor wie ver van de arbeidsmarkt staat. Vrijwilligerswerk kan daarbij voor sommigen een eerste, haalbare stap zijn: enkele uren per week zorgen voor structuur, sociaal contact en herwonnen eigenwaarde. Niet als sanctie, maar als kans. Zo bouwen mensen opnieuw basisvaardigheden op die essentieel zijn voor herinschakeling. De beperking van de werkloosheid is geen excuus zijn om mensen los te laten, maar een moment om te tonen dat sociale bescherming en activering elkaar versterken. Zonder vergeetputten, mét perspectief.